Het nieuwe leren

Al jaren wordt er volop nagedacht over hoe we het onderwijs van de 21e eeuw het beste kunnen inrichten. Sinds 2000 wordt in dit verband gesproken over ‘het nieuwe leren’: actief onderwijs dat met behulp van authentieke leeromgevingen antwoord probeert te geven op de huidige problemen1. De principes van dit nieuwe leren sluiten aan bij de wensen van de huidige samenleving en kennen een uitgesproken rol toe aan ICT in het onderwijs. Maar in één opzicht is er geen verschil met wat ook wel ‘het traditionele leren’ wordt genoemd: het succes ervan staat of valt met een goede visie op onderwijs.

Waarom een visie op onderwijs?

Volgens John Kotter2 is een visie op onderwijs een ideaal toekomstbeeld, plus een gegronde reden om dat ideaal na te streven. Met andere woorden: je moet niet alleen weten waar je heen wilt met je onderwijs, maar ook waarom je dat wilt. Als een school kiest voor een veranderproces, bijvoorbeeld om de overstap te maken naar het nieuwe leren, is het belangrijk om eerst een goede visie te formuleren, omdat zo’n visie:

  • de algemene richting van de verandering verduidelijkt;
  • de mensen motiveert tot actie in de juiste richting;
  • ervoor zorgt dat acties eenvoudiger te coördineren zijn.

Een heleboel vragen

Het opstellen van een visie op onderwijs is vooral een kwestie van antwoord geven op een heleboel vragen. Wat zijn je ambities en je mogelijkheden als school? Hoe ga je die vertalen naar de leerprocessen in je onderwijs? Is een complete overgang naar het nieuwe leren − met vergaande implementatie van ICT − een haalbare kaart? En los daarvan: moet je dat eigenlijk wel willen wanneer je van nature vooral een traditionele school bent?

Het begint bij het primaire proces

Persoonlijk ben ik ervan overtuigd dat een visie op onderwijs het beste uit de verf komt wanneer je inzoomt op datgene wat er daadwerkelijk in de klas gebeurt. Als je op school iets wilt verbeteren, zul je vooral het primaire proces moeten verbeteren. Dat is ook het uitgangspunt van het DNA-model dat we bij Heutink ICT hebben ontwikkeld. Aan de hand van dit model helpen we scholen te bepalen of ze op ICT-gebied Degelijk, Nieuwsgierig of Avontuurlijk zijn, overigens zonder daarbij een waardeoordeel te koppelen aan die classificaties. Getrouw aan de aloude pijlers van Vier in balans kijken we naar de bestaande visie, de vaardigheden van de leerkrachten (voor dit doel hebben we zelfs een eigen, gevalideerde ICT-bekwaamheidsscan), de gebruikte onderwijscontent (methodes, software) en de aanwezige infrastructuur. Ook vragen we hoe er nu les wordt gegeven, hoe men les zou wíllen geven en waar de grootste veranderbehoefte ligt. Juist doordat alle input wordt geleverd door de leerkrachten zélf, komen we tot een betrouwbaar beeld dat goed kan dienen als vertrekpunt voor de gewenste visie.

Waar staan we en waar willen we heen?

De DNA-inventarisatie leidt tot een overzicht van de huidige en de gewenste situatie op vier essentiële punten:

  • Leerstofaanbod − de middelen waarmee de doelstellingen van de school moeten worden bereikt.
  • Leertijd − de tijd die moet worden besteed aan vakken of leerlijnen.
  • Didactisch handelen − de manier van werken van de leerkracht.
  • Klassenmanagement − de manier waarop een school een lesdag organiseert en indeelt.

Deze punten samen resulteren in een DNA-profiel waarbij de huidige visie wordt vergeleken met de visie die moet leiden tot de gewenste verandering(en).

Speerpunten

Na de inventarisatie wordt er een projectgroep gevormd met daarin in elk geval de schooldirectie en de ICT-coördinator. Deze projectgroep buigt zich over de vraag welke conclusies er kunnen worden getrokken uit de inventarisatie en welke concrete stappen er kunnen worden genomen. Om richting te geven aan deze discussies is het belangrijk dat bij de projectgroep een expert wordt betrokken die helemaal thuis is op het snijvlak van onderwijs en ICT. De gesprekken moeten uiteindelijk leiden tot een aantal speerpunten, als basis voor het ICT-beleid. Idealiter krijgt elk speerpunt de vorm van een project waarbinnen de doelen concreet worden gemaakt. Elk project krijgt een ‘eigenaar’ (bijvoorbeeld de ICT-coördinator). Bij de uitvoering kan een adviseur van Heutink ICT in een begeleidende/ coachende rol optreden, maar soms fungeren wij ook als projectleider.

Veranderen moet je willen

Essentieel voor het welslagen van een veranderingstraject is dat de verandering van de werkvloer komt. Het gesprek moet worden aangegaan op basis van de veranderbehoefte van de leerkrachten. En niet te vergeten, de veranderbereidheid. Want eigenlijk willen alle scholen wel iets meer richting het nieuwe leren. Maar als je er echt werk van wilt maken, in hoeverre ben je dan bereid om er ook echt energie in te steken? Zoals voor zoveel dingen in het leven geldt ook hier: waar een wil is, is een weg.

1Volman, M. (2006). Het ‘nieuwe leren’: oplossing of nieuw probleem? Pedagogiek, 26(1), 14-25.
2Kotter, J.P. (1997). Leiderschap bij Verandering. Den Haag: Sdu uitgevers bv.


Bastiaan Kooij

Bastiaan Kooij

Bastiaan Kooij is al ruim acht jaar werkzaam bij Heutink ICT. Daar is hij op dit moment onderwijsconsulent. Voordat hij werkzaam was bij Heutink ICT heeft hij ruime ervaring opgedaan in het basisonderwijs, zowel als leerkracht als als ICT-coördinator. Bovendien heeft hij recent de studie pedagogiek afgerond. Voor Bastiaan is het een uitdaging om ICT een zinvolle plek te geven in het huidige onderwijs. Wat leren kinderen van ICT en is het de meest efficiënte, meest effectieve en leukste manier om te leren?